Intermezzo?

Frans Kwantes weet als geen ander de ‘straat aan het praten te krijgen’. En daar hebben we de afgelopen jaren van gesmuld. Met zijn natuurlijke nieuwsgierigheid en gouden pennetje wist hij zestig edities lang de verhalen achter de gevel los te weken en te verwerken tot Straatpraat.
Dit keer is het mijn beurt, mijn eerste Straatpraat. Of, eigenlijk mijn tweede. Afgelopen najaar interviewde Frans Kwantes mij, dat was de 60ste aflevering van deze goed gelezen rubriek op de Gijsbrecht-kanalen. Een diamanten jubileum schreeuwt om iets bijzonders. Van huis uit nieuwsgierig – en bovendien zelf ook schrijver – durf ik het aan de meester zelf te interviewen. We draaien de rollen voor de gelegenheid om en nu stel ik de vragen. Aan de Schrijver. Lees je mee?

Pas op de plaats

Na zestig keer de straat op, om verhaal te halen en dat vervolgens met rake pennenstreken aan het scherm toe te vertrouwen, was het hem een beetje te moede geworden. Frans Kwantes, oud-leraar Nederlands én bewoner van de Gijsbrecht, geeft het schoorvoetend toe. Op het hoogtepunt van zijn succes laste hij vorig jaar een kleine pauze in. Al is het een puntkomma, en nog geen punt wat hem betreft. Je weet tenslotte maar nooit.

Als ik op een zonnige dinsdagochtend aanschuif aan de keukentafel bij Frans, geeft hij toe dat hij het wel een beetje mist. ‘Het was en is toch een leuke hobby.’ Andere mensen interesseren hem nu eenmaal meer dan zichzelf. En ondernemers, zo weet hij als geen ander inmiddels, zijn per definitie interessante mensen. ‘Heel energiek en positief’, zo typeert hij de Gijsbrecht-ondernemer. En dat moet je ook wel zijn, zo weet hij. ‘De slager hier aan de overkant werkt rustig twaalf uren op een dag.’ Zelf zou hij dat niet kunnen, of ervoor over hebben, maar hij snapt ze wel – die winkeliers. ‘Ze zijn bezig iets op te bouwen, iets te maken, en zijn gepassioneerd over hun product.’ Overigens, zo benadrukt hij, waren het niet alle zestig ondernemers, maar ook de buurtcoördinator, de wijkagent en (oud)wethouder Jaeger kwamen aan bod in Straatpraat.

Geboren kaaskop

Even terug naar toen Frans nog een Fransje was, een geboren kaaskop: zijn wieg stond in Alkmaar. En inmiddels met zijn 71 jaar een belegen kaaskop, zo grapt hij zelf. ‘Al voel ik me zeker geen oud mannetje. Leeftijd is maar een getal.’ Als peuter verhuisde hij samen met zijn ouders en zijn oudere zus en jongere broer – hij is de middelste – naar Den Helder. Daar beleefde hij de ultieme jongensjeugd aan zee. Met de sfeer van de marine, de vuurtoren, Texel om de hoek…

Dat zijn vader in 1960 koos voor een aanstelling als hoofd van een lagere school in Amstelveen, was wel even jammer. Van de zee naar de stad was een grote stap, al kwam dat de jaren die volgden helemaal goed. Frans bezocht het Christelijk Lyceum in Buitenveldert en had het er ‘heel leuk’. Eenmaal student zette hij flink de bloemetjes buiten. Meisjes, muziek, drummen in een band, platen draaien op feestjes, kortom het leven ontdekken. Het was de tijd van flower power. En al was Frans zeker geen rebel in die tijd – hij kwam tenslotte uit een keurig gereformeerd nest – hij stond er wel bij en keek ernaar. De rellen rond de aanleg van de metro bij het Waterlooplein,  de krakersrellen, en vooral de geschiedenis van Mokum: Amsterdam had en heeft iets magisch.

De appel en de boom

Na een kleine omweg – de rechtenstudie vond hij maar saai – kroop het bloed waar het niet gaan kon. Frans – dol op lezen én schrijven – koos voor een studie Nederlands aan de VU – met de bedoeling om in zijn vaders voetsporen te treden. En zo geschiedde. Nog net geen 21 en toen al voor de klas, eerst in Haarlem en al gauw in Rotterdam-Zuid. Zijn leerlingen in Havo 4 waren soms ietsje ouder dan hij, toch had hij nooit ordeproblemen. ‘Blijkbaar heb ik een uitstraling van gezag en overwicht.’ Hij houdt van duidelijkheid en eerlijkheid, en laat dat nou heel goed aansluiten bij jeugd tussen de twaalf en twintig jaar oud, zelf immers al stuiterig genoeg. ‘Eerst even vijf minuten niks, dan 45 minuten hard aanpakken, zo hield ik ze voor en dan mag je die laatste tien minuten met elkaar kletsen of iets voor jezelf doen. Dat werkte.’

Schrijver in een schapendorp

Op 1 januari 1975 maakte Frans de Grote Sprong naar Hilversum. Hij kwam in dienst als leraar Nederlands op het Comenius College en verhuisde van de grote stad naar ons mooie schapendorp. Een rustige omgeving, maar gelukkig zorgde Frans zelf voor reuring. Hij en zijn (eerste) vrouw Michelle leerden in de buurt, zo memoreert Frans, ‘een koele kerel kennen, die werkte als politieman in Amsterdam’. Frans ging mee in het politieleven van deze Fred, en ontdekte een ‘hart in het blauwe pak’.

Honderden scènes en anekdote verwerkte hij tot evenveel verhalen. Bureau Warmoesstraat en Bureau Lijnbaansgracht waren het startpunt van veel Amsterdams politiewerk in de praktijk. Appie Baantjer, bedenker van De Cock met Cee-oo-cee-kaa, werkte er zelfs nog. Frans liet hem zijn tot manuscript verwerkte schrijfwerk lezen. ‘Ik beloof helemaal niks’, riep die hem nog na, maar nam het wel mee. En het volgende moment zat hij bij uitgever Wim Hazeu van De Fontein. We schrijven het jaar 1983 en Frans Kwantes is naast leraar Nederlands en literatuurliefhebber sindsdien óók officieel schrijver. Zijn tweede politieboek ‘3.0.3. is ter plaatse’ kwam uit in 1986.

Samen met zijn politievriend schreef hij begin jaren negentig zo’n anderhalf jaar wekelijks een column voor het tijdschrift Aktueel, waar Peter R. de Vries toen hoofdredacteur van was. Deze Peter R. kwam in 2013 bij Frans thuis. Hierbij suggereerde hij Peter om samen zijn biografie te gaan schrijven, maar dat wees Peter af: “Dan heb ik het idee dat mijn einde nabij is.” Dat zou nog acht jaar duren…

Op avontuur

Als hij geen leraar was geworden, dan misschien wel agent. Als er maar avonturen te beleven waren. En waren die er niet, dan zocht Frans ze wel op in zijn eigen roerige jaren tachtig. Met een collega en vriend reisde hij de wereld over in de Grote Vakantie: met een jeep de Himalaya over, met een bussen en treinen door China in en in Peking met de Trans-Siberië Express naar Moskou, een treinreis van acht dagen. Dat waren nog eens tijden. En eenmaal thuis, verdreef hij de rust als drummer samen met twee collega’s – en nog steeds goede vrienden – in de schoolband.

Frans Kwantes Schrijver van Straatpraat Gijsbrecht

Na tien jaar verruilden Frans en zijn vrouw Hilversum-Noord voor de conciërgewoning naast het Comenius College aan de Bisonlaan in de bosrijke omgeving van de school. Frans genoot van de voordelen – in tien seconden op zijn werk, eekhoorns in de tuin – maar zijn inmiddels tweede vrouw, moeder van zijn twee zonen en oogappels, kon er helaas niet aarden. De verhuizing – na 15 jaar – naar Baarn deed uiteindelijk niemand goed. Het huwelijk strandde en Frans – op zoek naar woonruimte – belandde op de Gijsbrecht. Via bekende Chris – toen nog van muziekwinkel Kick Music aan de overkant – kon hij in het huis terecht waar hij nog altijd woont. Chris gebruikte het om artiesten in onder te brengen en als opslag voor gitaren, maar verkocht het als heerlijk huisje aan Frans.

Een Gijsbrechter

Een lang verhaal om te komen waar we eigenlijk moeten zijn: op de Gijsbrecht. Want al bijna twintig jaar mag Frans nu al zeggen: ‘Ik ben een Gijsbrechter’. En dat is een bijzonder slag mens. De bewoners van het gedeelte van de Gijsbrecht waar ook de winkels zitten, houden ervan: de dynamiek van de winkelstraat, het rumoer van een zaterdagochtend, een kraam voor je deur als er een markt is. Reuring kortom.

Een hernieuwde kennismaking was het. ‘Ik kende de Gijsbrecht van mijn tijd op de Bisonlaan, toen deed ik er wel eens boodschappen. Nu is het mijn thuis. Als ik mijn rondje loop, zwaai ik hier en daar naar binnen, de meeste ondernemers ken ik immers. Bij naam én verhaal.’ Elke dinsdag trekt hij erop uit met een vriend, samen fietsen ze door het hele Gooi. Dan weer door al die mooie dorpjes, en dan weer door weide, heide en bossen. Maar altijd weer terug naar De Gijsbrecht.

Domweg gelukkig

Hij heeft er zijn tuintje, zijn contacten in de buurt en het is er ‘meestal relaxt’. En zo niet, dan doet hij er wat aan. Want als betrokken bewoner is Frans altijd bereid om er zelf actie te ondernemen, desnoods de politiek toe te spreken. Het best wel drukke verkeer vindt hij ‘zelf niet zo’n probleem’, daar wen je aan net als aan overvliegende vliegtuigen, maar het groeiende aantal horecazaken houdt hij nauwlettend in de gaten. Hij zou het jammer vinden als de straat verwordt tot eetstraat, liever ziet hij bijvoorbeeld een mooie schoenenzaak terugkeren op de Gijsbrecht.

Zijn zonen, ‘heerlijke knullen van 23 en 24’, vinden dat hij zo langzamerhand eens moet nadenken over een seniorenwoning. Maar dat wil Frans niet. ‘Ik voel me hier senang, wil hier het liefste nog heel lang blijven.’ En waarom ook niet? ‘Alles komt hier voorbij: mooie meiden, lelijke kerels, zeer uiteenlopende types, honden, katten, auto’s. Hier ben ik gelukkig.’ Domweg gelukkig op de Gijsbrecht… Hoewel, als hij dan toch van de gelegenheid gebruik mag maken… ’s Avonds samen op de bank, dat lijkt hem toch gezelliger dan alleen. ‘Een leuk, lief meissie, ja dat zou na jaren vrijgezel te zijn geweest, heel welkom zijn.’

Er zijn nooit genoeg echte Gijsbrechters, wat ons betreft. Dus blijf maar lekker wonen in jouw winkelstraat, Frans. En wie weet pak je de pen weer eens op, er zijn nieuwe – en zeer interessante – ondernemers zat. Hoe goed is je Frans, Frans? Pas maar op, we sturen je zo naar La Petite Crêperie of naar Ohlala Macarons. Dat houdt je van de straat. Of eh, liever gezegd, op de straat.

Dank voor zestig prachtige edities van Straatpraat. Deze is speciaal voor jou!

Met groeten van de Gijsbrecht,
Renske Schriemer
Gebiedsmanager De Gijsbrecht

Meer nieuws

Alle berichten (56)

Filter op de kaart

Categorie